thumb|Achterkant van Weißenseestraße 7–15, november 1949Weissenseestraße 7-15, Rückansicht des Gebäudes in München-Giesing um 1949. Gearchiveerd op 11 mei 2021. Het Agfacommando was van 12 september 1944 tot 30 april 1945 een van de 169 buitencommando's van concentratiekamp Dachau, dat gebruikt werd voor de productie van wapenonderdelen. In totaal waren in het kamp ongeveer zevenhonderd vrouwen geïnterneerd; gemiddeld ruim vijfhonderd: tweehonderd uit Nederland en ongeveer driehonderd uit Oost- en Zuidoost-Europa, voornamelijk Polen.Pierre Moulin, American Samurais WWII Camps: From USA Concentration Camps to the Nazi Death Camps in Europe, AuthorHouse, 2012, pag. 42 Zij verrichtten dwangarbeid in de fabriek van Agfa Kamerawerke (indertijd een onderdeel van IG Farben) in de Tegernseer Landstraße 161 in München-Giesing, een voorstad van München op ongeveer 23 kilometer van Dachau. De fabriek richtte de productie vanaf 1941 geheel op de behoeften van de Wehrmacht en er werd een groeiend aantal dwangarbeiders ingezet, onder wie een groot aantal politieke gevangenen.Silke Fengler, Agfa AG, in: Historisches Lexikon Bayerns, versie 19.12.2011. Gearchiveerd op 24 september 2015.
De gevangenen assembleerden ontstekingen voor granaten die werden ingezet door het Duitse luchtafweergeschut, en onderdelen voor V1- en V2-raketten. In januari 1945 staakte een deel van de gevangenen als reactie op de schaarste aan eten, wat in de concentratiekampen een unieke daad van verzet was. De productie van de fabriek werd op 23 april 1945 stilgelegd en de gevangenen werden geëvacueerd. Het kamp werd op 30 april bevrijd door het Amerikaanse leger.
Buitencommando Vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog zette de SS concentratiekampgevangenen in voor de wapenindustrie. Dit was nodig om de Duitse oorlogsindustrie op gang te houden. Veel arbeiders werden in het leger ingezet, waardoor een tekort aan werkkrachten ontstond. Dit tekort werd onder meer aangevuld met gevangenen uit de concentratiekampen, die veelal in buitencommando's werden ondergebracht. IG Farben - het bedrijf dat ook het gas Zyklon B produceerde dat in de gaskamers werd gebruikt - was een van de koplopers. Het bedrijf maakte gebruik van duizenden gevangenen van Auschwitz.
De term buitencommando (Außenlager of Außenkommando) werd gebruikt voor de verspreid liggende detentiecentra die onder het gezag van een concentratiekamp vielen dat door de SS geleid werd. Een buitencommando had een SS-commandant en sommige gevangenen vervulden bepaalde functies zoals blokoudste (Blockälteste) of kampoudste (Lagerälteste).Stanislav Zámečník: Das war Dachau. Luxemburg, 2002, , pag. 150 en pag. 303. Deze buitencommando's vormden een netwerk van kampen door heel Duitsland. De meeste gevangenen bleven dag en nacht in het kamp. Er waren daarnaast ook groepen gevangenen die 's avonds naar Dachau werden teruggestuurd om daar te overnachten.KZ-Außenlager in Bayern, Tagung, November 2006, Tagung: KZ-Außenlager im Ruhrgebiet, december 2009.
De meeste gevangenen in Dachau werden ingezet als dwangarbeider. Dachau was het grootste en meest vertakte kampcomplex van het nationaalsocialistische regime; het had 169 buitencommando's en leverde arbeidskrachten aan 197 bedrijven, vooral in de wapenindustrie. Naast Agfa maakten ook andere gerenommeerde bedrijven als BMW, Messerschmitt, Volkswagen, Krupp en Siemens gebruik van deze goedkope werkkrachten.
Indeling van het kamp thumb|250px|Het voormalige buitenkamp Weißenseestraße 7–15 in 2017 De gevangenen waren gehuisvest in een groot, nog niet afgebouwd U-vormig appartementencomplex van vier verdiepingen in de Weißenseestrasse 7-15 in München-Giesing. Aan de voorzijde waren meer dan veertig vensters, aan de zijkanten twintig, maar een zijkant was al tijdens de bouw ingestort door een bombardement. Door de bombardementen zaten er geen ruiten meer in de vensters. De huisvesting was verdeeld in drie blokken: twee voor de Oost-Europese en een voor de West-Europese vrouwen. Elk blok telde verscheidene huizen en in elk daarvan waren drie of vier kamers, een toilet en een vertrek met een geëmailleerde gootsteen en een kraan; in iedere kamer huisden zes tot acht vrouwen. Midden in de U van het appartementencomplex stond een apart houten gebouw, waarin de eetzaal was ondergebracht. Rondom het complex was een omheining van prikkeldraad geplaatst met vier wachttorens. De commandant, bewakers en Aufseherinnen woonden in een huis buiten het kamp. Het complex lag op twintig minuten lopen van de Agfafabriek in de Tegernseer Landstrasse.Landeshauptstadt München (2015): KulturGeschichtsPfad Obergiesing-Fasangarten pag. 61Website Jan van Ommen: De vrouwen van het AGFA-Kommando in München. Gearchiveerd op 30 december 2020.Société historique et archéologique d'Arcachon et du Pays de Buch, 27 juni 2014: Marie Bartette – Les étapes d’une déportée; overgenomen uit Journal d’Arcachon nr 45, 16 juni 1945 - 30 maart 1946De Mastmakersdochters, Van Ommen, Jack (2015). Uitgeverij Heijink,
De gevangenen
Vanaf 1941 werd een groeiend aantal dwangarbeiders bij Agfa Kamerawerke tewerkgesteld. De gevangenen werden de eerste jaren 's avonds weer naar het concentratiekamp Dachau teruggebracht. Pas in september 1944 werd een buitencommando in München-Giesing ingericht. De kampcommandant trad op 12 september 1944 in functie en op 13 september kwamen vijfhonderd Poolse vrouwen uit concentratiekamp Ravensbrück aan.
Over de Poolse vrouwen is weinig bekend. Velen van hen waren gevangengenomen als represaille voor de opstand in het getto van Warschau van 1943. De Duitse historicus Ludwig Eiber noemt een veertigjarige Poolse die op 7 oktober 1944 stierf.Eiber, L. (1996). KZ-Außenlager in München, in Dachauer Hefte 12. Konzentrationslager: Lebenswelt und Umfeld, Dachau Half oktober werden 250 van hen teruggestuurd naar Ravensbrück en uitgewisseld met tweehonderd overwegend Nederlandse vrouwen. Na een vluchtig onderzoek van de archivaris in Ravensbrück zouden veertien van hen in Ravensbrück omgekomen zijn. In december 1944 wisten twee Poolse vrouwen uit het Agfacommando te ontsnappen nadat ze verkleed als Jozef en Maria hadden deelgenomen aan een kerstspel.Gerritsen-Heinsius, H.J., Het Agfa‐Kommando – Een poging tot reconstructie, in bezit van het NIOD. Een uitvoerig bezwaarschrift tegen het beeld dat van de Nederlandse vrouwen wordt geschetst in deel 10b van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van RIOD-directeur Loe de Jong, dat gebaseerd was op Prisoners of fear van Ella Lingens.Kerstmis 1944 in Dachau, deel van de memoires van Kiki Gerritsen-Heinsius op de website van Jack van Ommen Volgens een onbevestigd bericht werden op 25 februari 1945 twintig Poolse vrouwen bij een bombardement gedood.Leuvenberg, L. Dagboek, NIOD 250g ‐ 669, 1945 Ten minste 25 Poolse vrouwen zijn in april 1945 in Zweden aangekomen.
De meeste Nederlandse vrouwen waren politieke gevangenen, na verraad gearresteerd wegens verzetswerk. Een groot deel van de groep bestond uit vrouwen uit Kamp Vught die tot september in de voormalige Michelinfabriek in 's-Hertogenbosch te werk waren gesteld, waar zij voor Continental Gummi-Werke AG gasmaskers moesten maken. Toen de geallieerde troepen begin september 1944 Vught naderden, werd het kamp ontruimd. Ongeveer 650 vrouwen werden op transport gesteld naar Ravensbrück, onder wie ook vrouwen uit de strafgevangenis in Scheveningen en Kamp Haaren. Een maand later werden 193 Nederlandse vrouwen en 11 vrouwen uit andere West-Europese landenDrie Françaises, drie Belgischen, een Deense, een Engelse, een Tsjechische, een Duitse en een vrouw van wie de nationaliteit onbekend is. naar het Agfacommando gestuurd. Tegelijk met hen kwamen 50 vrouwen uit Oost en Zuidoost-Europa aan, onder wie 21 partizanen uit Slovenië.
Kort voor de sluiting van de fabriek werden negen gedwongen prostituees uit het hoofdkamp Dachau in het Agfacommando ondergebracht. Ook onder de Nederlandse vrouwen bevonden zich vijf of zes prostituees. Zij waren gearresteerd omdat zij Wehrmachtsoldaten met geslachtsziekten zouden hebben besmet. In het kamp maakten zij zich soms verdienstelijk door de bewakers af te leiden.United States Holocaust Memorial Museum: Oral history interview with Joukje Grandia-Smits, part 3. Gearchiveerd op 8 oktober 2021.Reinders, G. (2010). Het Zakdoekje, Nijgh & Van Ditmar (2010), pag. 237-240
Twee Nederlandse vrouwen zijn kort voor de bevrijding overleden.
Bekende gevangenen Marie Bartette Betty Bergen Tiny Boosman-van Delft Bep Binkhorst Johanna Bruins Gijsberta van Garderen Carla Gastkemper Simone Guillissen-Hoa Willemijn van Gurp Liesbeth Hermsen Suzy van Hall Leonie van Harssel Kiky Heinsius Grada van Horen Ada van Keulen Jobs van Laar Ella Lingens Renny van Ommen-de Vries Leonie Overgoor Annie Post Mientje Proost Hanny van Rossum-Krijgsman Joukje Smits Cis Suijs Hetty van der Togt Betty Trompetter Mary Vaders Dolly de Vries Kek Yzerdraat
Leven in het kamp De eerste berichten over het Agfacommando verschenen in Prisoners of fear van Ella Lingens.Lingens, E. (1948). Prisoners of fear. London, Victor Gollancz. Duitse, herziene uitgave: Gefangene der Angst: ein Leben im Zeichen des Widerstandes, Deuticke Verlag, Wien (2003), ; Berliner Taschenbuch Verlag btv, Berlin (2005), Zij was arts en zat als politiek gevangene in Auschwitz en was enige tijd geplaatst in het Agfacommando. Haar voorstelling van dit buitencommando riep bij de Nederlandse overlevenden heftige protesten op, omdat zij hen onder andere als naïef beschreef en feiten verkeerd weergaf. Daarop brachten verschillende vrouwen hun eigen verhaal naar buiten. Het uitvoerigste verslag is van Kiky Gerritsen-Heinsius.Jan van Ommen heeft in het kader van zijn onderzoek naar de vrouwen van het Agfacommando inzage gekregen in de verschillende niet-gepubliceerde verslagen en op zijn website zijn bevindingen weergegeven. Gé Reinders heeft voor zijn boek Het Zakdoekje verscheidene overlevenden geïnterviewd. Ook de Franse Marie Bartette heeft haar ervaringen op schrift gesteld. Alle vrouwen beschrijven het verblijf in München als een enorme verbetering ten opzichte van de "hel" van Ravensbrück.
De gevangenen werkten in drie fabriekshallen aan de lopende band van 6.30 uur tot 17.00 uur. Doordat zij samenwerkten met jonge Duitse vrouwen, kon de bewaking niet doen en laten wat zij wilde. De dwangarbeidsters zijn dan ook niet mishandeld. Wel hebben zij erg geleden onder de honger en kou, de slechte hygiënische omstandigheden en ontoereikende kleding, met vele ziekten als gevolg. Tijdens de talrijke bombardementen schuilden zij in de kelder van de fabriek of van het appartementencomplex, terwijl de Duitsers naar een echte schuilkelder gingen. In december en januari werd het werk zelfs twee weken stilgelegd, omdat de fabriek ernstig beschadigd was en er noodzakelijke reparatiewerkzaamheden moesten worden uitgevoerd.
In maart 1945 ontvingen de Franse, Belgische en Poolse vrouwen voor het eerst voedselpakketten van hun nationale Rode Kruisvereniging. De Nederlandse vrouwen waren sinds de evacuatie van kamp Vught geheel verstoken van contact met thuis; zij ontvingen post noch voedselpakketten. Wel zorgde de commandant er in april voor dat zij een deel van de pakketten van het Belgische Rode Kruis kregen. Onder hen bestond een sterke solidariteit, vooral onder kamergenoten. Na het werk werd er veel samen gezongen en gebeden. Ook werden er wel borduurwerkjes gemaakt, onder meer met draden uit de kleding en dekens, op de papieren tussenlagen van de onderdelen voor de ontstekingsklokjes, de zogenaamde "rondjes" (zie de afbeeldingen).