John Enoch Powell (Birmingham, 16 juni 1912 – 8 februari 1998) was een Brits politicus en classicus. Hij was parlementslid voor de Conservatieve Partij tussen 1950 en 1974, en voor de Ulster Unionistische partij van 1974 tot 1987.
Hij verkreeg landelijke bekendheid in 1968 met zijn rivieren-van-bloed-toespraak. Slechts korte tijd heeft hij junior ministersposten bekleed, maar controversieel is hij tijdens zijn hele langdurige carrière geweest. Hij streek namelijk zowel in linkse als in rechtse kringen velen tegen de haren in met ideeën over Amerika, de Koude Oorlog, internationale machtsverhoudingen, kernwapens, en ras, nationale identiteit en soevereiniteit van het Verenigd Koninkrijk, immigratie en Brits-Europese relaties.
Zijn intellectuele en retorische gaven werden echter algemeen erkend. De Nederlandse politicus Geert Wilders heeft in positieve zin naar hem verwezen.Volkskrant, 18 januari 2006: 'Methode Cohen leidt tot niets'
Vroege jaren Powell is geboren en getogen in Birmingham, als zoon van twee leraren. Na het doorlopen van de King Edward's School aldaar ging hij klassieke talen studeren, waarin hij een van de besten was. Hij voltooide zijn studie aan Trinity College (Cambridge), waar hij de hoogste cijfers kreeg.
Hij kwam sterk onder invloed van de dichter A. E. Housman. Vervolgens werd hij, op 25-jarige leeftijd, benoemd tot hoogleraar Grieks aan de universiteit van Sydney, waar de latere Australische premier Gough Whitlam een van zijn studenten was. Hij redigeerde in 1938 een nieuwe editie van Stuart-Jones’ bewerking van de Historiae van Thucydides. Zijn academische prestatie met de meest blijvende waarde is zijn Lexicon to Herodotus (1938). Powells taalkundige gaven worden getypeerd door zijn bijdrage aan de redactie van een belangrijke juridische tekst in het Welsh.
Oorlogsjaren Tijdens zijn hoogleraarschap in Australië werd Powell steeds bozer over de Britse appeasementpolitiek ten aanzien van nazi-Duitsland, die hij zag als een verraad aan het Britse nationale belang. In een brief aan zijn ouders in juni 1939, vlak voor het uitbreken van de oorlog, schreef hij: ‘Het ligt aan de Engelsen zelf, niet aan hun regering, want als zij geen blinde lafaards waren zouden ze Chamberlain, Halifax en alle andere slijmende verraders wel lynchen’.Simon Heffer, Like the Roman: The Life of Enoch Powell (Weidenfeld & Nicolson, 1999), p. 53.
Onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog keerde Powell terug naar Engeland, maar niet zonder eerst een Russisch woordenboek gekocht te hebben, want hij dacht dat 'Rusland de sleutel had tot onze overleving en onze overwinning, net als in 1812 en in 1916'.Ibid, p. 55.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte hij deel uit van het Royal Warwickshire Regiment; hij monsterde aan als Australiër. Later zou hij zijn promotie van soldaat tot korporaal laten opnemen in zijn artikel in "Who's Who"; bij andere gelegenheden omschreef hij die als van groter belang dan zijn benoeming tot minister. Hij werd naar een officiersopleiding gestuurd nadat hij tijdens een inspectie, terwijl hij in de keuken bezig was, een officier had geantwoord met een Grieks spreekwoord. Hoewel hij in Afrika diende bij de ‘Woestijnratten', is hij nooit zelf betrokken geweest bij gewapende actie, omdat hij tot zijn verdriet meestal voor stafwerk werd ingezet. In Algiers werd het zaad van zijn afkeer voor Amerikanen gezaaid. Na enkele gesprekken met enkele hoge Amerikanen raakte hij ervan overtuigd dat Amerika uit was op vernietiging van het Britse Rijk. In een brief naar huis van 16 februari 1943 schreef hij: ‘Aan de horizon zie ik een grotere dreiging dan Duitsland of Japan ooit geweest zijn... onze verschrikkelijke vijand, Amerika...’Ibid, p. 75.
Powells overtuiging van de anti-Britse gezindheid van Amerika bleef na de oorlog overeind. Een artikel uit de krant de Statesman van 13 november 1943 had hij uitgeknipt en zijn hele leven bewaard, omdat hierin de Amerikaanse Clare Boothe Luce stelde dat onafhankelijkheid voor India zou betekenen dat de VS ‘werkelijk de grootste oorlog voor de democratie gewonnen zou hebben’.Ibid, pp. 86-87.
Powell wilde wanhopig graag naar het Verre Oosten om aan de strijd tegen Japan deel te nemen, want ‘nu de oorlog in Europa is gewonnen, wil ik de Union Jack weer in Singapore zien, ... voordat de Amerikanen ons te vlug af zijn’.Ibid, p. 76.
Tegen het einde van de oorlog was hij de jongste brigade-generaal in het Britse leger, terwijl hij als soldaat begonnen was. Powell voelde zich schuldig dat hij de oorlog overleefd had, terwijl zovelen die hij gekend had, gevallen waren. Toen hem eens gevraagd werd hoe hij in de herinnering wilde voortleven, antwoordde hij eerst: ‘Anderen zullen zich mij herinneren zoals ze willen’, maar na enig aandringen zei hij: ‘Ik had graag willen sneuvelen in de oorlog’.Desert Island Discs, BBC Radio, 19 February, 1989
De Conservatieve Partij In 1945 boekte Labour een grote overwinning; Powell stemde toen ook Labour, omdat hij vond dat de Conservatieven alsnog gestraft moesten worden voor het Verdrag van München, maar hij werd wel lid van de Conservatieve Partij en ging werken voor het wetenschappelijk bureau daarvan. Een van zijn collega's was de latere minister Iain McLeod. Na een mislukte poging bij een tussentijdse verkiezing werd hij bij de algemene verkiezingen van 1950 in het Lagerhuis gekozen voor het district Wolverhampton Zuid-West. Powell nam toen een cursus Urdu aan de School of Oriental Studies, tegenwoordig de School of Oriental and African Studies, University of London, om zo zijn niet-Engels sprekende kiezers beter te kunnen vertegenwoordigen.Paul Foot, The Rise of Enoch Powell (Penguin Specials, 1969).
Powell was in het Lagerhuis lid van de Suez-groep, die zich verzette tegen terugtrekking van Britse troepen van het Suezkanaal omdat daarmee volgens hem een signaal werd gegeven dat de Britten hun positie niet langer konden vasthouden, dus dat nog langer aanspraak houden op het Suezkanaal niet logisch zou zijn. Nadat de troepen in 1954 weg waren, ontstond in 1956 de Suezcrisis toen de Egyptenaren het Kanaal nationaliseerden; Powell verzette zich toen tegen herovering ervan, omdat het Verenigd Koninkrijk niet langer de middelen zou hebben om als grote mogendheid op te treden. Hoe de machtsverhoudingen lagen, bleek vervolgens ook wel, toen de Amerikanen de Britten dwongen de aftocht te blazen door te dreigen het Engelse pond te ondermijnen middels een massale deviezenverkoop.
Hij bekleedde junior ministerposten op volkshuisvesting en financiën, maar trad in 1958 af, samen met Peter Thorneycroft en Nigel Birch, uit protest tegen de regeringsplannen voor uitgavenverhoging; hij was namelijk een overtuigd monetarist en vrijemarkt-econoom. (Powell was ook lid van de door Friedrich Hayek gestichte Mont Pelerin Society.Mont Pelerin Society) Het gevolg van deze uitgavenverhoging was namelijk het drukken van extra geld; volgens Powell is dit de hoofdoorzaak van inflatie, een visie die tegenwoordig gemeengoed is. Bovendien was het volgens hem een verkapte vorm van belastingheffing, omdat iedereen die geld heeft erachter komt dat het minder waard is. De inflatie steeg naar 2,5%, erg hoog voor die tijd, vooral in vredestijd. Door de toenmalige premier Harold MacMillan werd dit aftreden bestempeld als 'een kleine plaatselijke moeilijkheid'.
Powell keerde in juli 1960 terug in de regering van MacMillan, als staatssecretaris van volksgezondheid, al was dat dan geen echte kabinetspost. Dat veranderde in 1962. Op deze positie werd hij verantwoordelijk voor een ambitieus tienjarenplan voor de bouw van algemene ziekenhuizen en voor het begin van de ontmanteling van de enorme psychiatrische inrichtingen. Een fragment van zijn beroemde ‘Watertoren'-rede van 1961 is: 'Daar staan zij, majestueus, heerszuchtig, gedomineerd door een reusachtige combinatie van watertoren en schoorsteen, onontkoombaar en dreigend oprijzend uit het landschap. – De inrichtingen die onze voorvaderen zo degelijk bouwden, drukken de ideeën van hun tijd uit. Onderschat geen moment hun weerbaarheid tegen onze aanval. Ik zal een beschrijving geven van de verdedigingswerken die wij moeten bestormen.'
Deze toespraak stimuleerde een debat dat in de jaren tachtig bijdroeg tot het Care in the Community-initiatief.
Later gaf hij leiding aan de tewerkstelling van een groot aantal immigranten in de onderbezette National Health Service. Voordien waren vele niet-blanke immigranten met volle burgerrechten vaak gedwongen baantjes te nemen die niemand anders wilde (bijvoorbeeld straatvegen, nachtarbeid in fabrieken), waarbij ze vaak aanzienlijk minder betaald kregen dan hun blanke collega's.
Evenals Iain MacLeod weigerde Powell te dienen in het kabinet nadat Alec Douglas-Home als premier benoemd was. Na de nederlaag van de Conservatieven bij de algemene verkiezingen van 1964 werd hij oppositiewoordvoerder voor Transport. In 1965 stelde hij zich voor het eerst beschikbaar voor verkiezing als partijleider, maar hij eindigde met grote afstand (slechts 15 fractieleden steunden hem) op de derde plaats; Edward Heath won, en benoemde hem tot schaduwminister van defensie.
In een controversiële toespraak op 26 mei 1967 kritiseerde Powell de rol van zijn land in de naoorlogse wereld:
'In onze verbeelding hebben de verdwijnende laatste restanten... van het Britse ooit zo uitgestrekte Indische imperium zich ontwikkeld tot een vredebewarende rol waarover de zon nooit ondergaat. Onder Gods wijze raadsbestel en als partner van de Verenigde Staten zouden we de vrede bewaren in de wereld en rennen we dus van hot naar haar om het communisme in te dammen, bosbrandjes te blussen en subversie te bestrijden. Het valt niet mee zonder termen uit de psychiatrie een geestesgesteldheid te beschrijven, die zo weinig met de realiteit van doen heeft’.Heffer (1999), p. 431.
De 'rivieren van bloed' Powell stond bekend om zijn retorische gaven en om zijn eigenzinnigheid, waarbij hij zich weinig bekommerde om de gevolgen van zijn uitspraken voor zijn partij of voor hemzelf. Op 20 april 1968 hield hij een controversiële toespraak in Birmingham, waarin hij zijn gehoor waarschuwde voor de gevolgen van aanhoudende immigratie vanuit het Gemenebest naar het Verenigd Koninkrijk. Zijn toespraak bevatte de volgende passage, naar aanleiding van het wetsvoorstel over raciale verhoudingen, dat toen in het Lagerhuis lag:
'Dit betekent dat de immigrantengemeenschappen zich kunnen gaan organiseren en hun leden mobiliseren tegen hun medeburgers, en de rest te overdonderen en overheersen met de wettelijke middelen die de onwetenden en slecht geïnformeerden hun verschaft hebben. Als ik vooruitkijk, ben ik met sombere voorgevoelens vervuld. Net als de Romein, lijk ik de rivier de Tiber te zien dampen van bloed'.
Vanwege deze toespeling op de Aeneis VI,86 van Vergilius: "Bella, horrida bella, et Thybrim multo spumantem sanguine cerno,'...oorlog zie ik, huiveringwekkende krijg, en de rivier de Tiber schuimende van veel bloed' (vert. M.A. Schwartz)" zou Powells rede de geschiedenis ingaan als ‘de rivieren van bloed’.
Waar het om ging bij deze toespraak was echter niet immigratie als zodanig. Het was anti-discriminatie-wetgeving, voorgesteld door de Labour regering, waarmee rassendiscriminatie in bepaalde aspecten van de Britse samenleving, met name huisvesting, werd verboden. Powell vond dit stuitend en immoreel.